Trechterbeker periode
Ongeveer 4900 tot 2750 voor Christus leefden in Noordwest‑Europa de mensen van de trechterbekercultuur. Ze woonden vooral in het noorden van Nederland, Duitsland, Denemarken en Polen. Deze mensen waren boeren. Ze verbouwden graan op kleine akkers en hielden runderen, schapen, varkens en geiten.
De naam trechterbekercultuur komt van het aardewerk dat zij maakten: potten met een hals in de vorm van een trechter. De klei werd mooi glad gemaakt en versierd met lijnen en patronen. Behalve gewone potten maakten ze ook flessen, kommen en schalen.
Het bekendst zijn de hunebedden, grote graven van reusachtige stenen. In Nederland staan er nu meer dan vijftig, vooral in Drenthe, en één in Groningen. Ooit stonden er ook twee hunebedden in Overijssel: één op landgoed De Eese bij Steenwijkerwold en één bij Mander in Noordoost‑Twente. Beide zijn in de 19e en 20e eeuw afgebroken. Bij Mander vonden archeologen nog restanten van het hunebed en veel scherven van trechterbekers.
Rond 2850 voor Christus veranderde er veel. Nieuwe groepen mensen kwamen dit gebied binnen, met andere gewoonten en andere potten. De bewoners namen langzaam nieuwe gebruiken over. Ze begroeven hun doden niet meer in hunebedden, maar in losse graven en later in grafheuvels. Zo verdween de trechterbekercultuur stap voor stap, maar hun hunebedden en potten zijn nog steeds te zien in het landschap en in musea.