14. Tortelduif

Ga naar plattegrond

In een oude Twentse boerderij gingen (bij)geloof en dagelijks leven vaak samen.
De boer keek goed naar de dieren om het weer te “lezen”.
Vlogen de zwaluwen hoog, dan verwachtte hij droog en rustig weer.
Vlogen ze laag boven het erf, dan dacht hij: er komt regen of onweer aan.
Ook een tortel of duif bij het huis gaf een gevoel van zekerheid.

Soms hing er zelfs een duif in een kooitje in de kamer.
De boer lette goed op het gedrag van deze vogel.
Werd de duif onrustig, dan zag de boer dat als een teken dat het weer ging veranderen.
Zat de duif stil en koerde hij zacht, dan hoorde dat bij rustig weer.

De duif in het kooitje hoorde ook bij de genezing van gordelroos.
Vroeger wist men niet dat gordelroos door een virus komt.
De pijnlijke rode plek rond de romp werd gezien als een boze “gordel”.
Mensen liepen onder de kooi door of aaiden de duif, in de hoop dat de ziekte op de vogel zou overgaan.

De duif had nog een taak.
In de boerderij brandde vaak een open vuur.
Als er weinig frisse lucht was, kon onzichtbare koolmonoxide ontstaan.
Dat gas is erg gevaarlijk voor mens én dier.
Werd de duif suf of viel hij van zijn stokje, dan wist de boer dat hij snel moest luchten.
Zo kon de duif het gezin waarschuwen voor gevaar.