8. Varkens, paarden, schapen en kippen

Ga naar plattegrond

Naast koeien had de boer meestal één of meer varkens.
Die zorgden voor mest en later voor vlees.
Kippen scharrelden overal rond en legden eieren.
Schapen gaven wol: de zachte ondervacht was voor kleren en dekens, de grove laag voor touw en zakken.

Soms had de boer een paard voor het zware werk, zoals ploegen.
Niet iedereen kon een paard betalen, daarom deelden buren vaak één dier.
In de zomer liepen varkens buiten.
Ze wroetten in de grond en aten onkruid en plantenresten.

In november werd het varken geslacht.
Vlees was geen dagelijks eten, maar een luxe, vooral in de winter.
Het vlees werd gedroogd, gezouten, gerookt of ingemaakt, zodat het lang mee kon.

De dieren gaven voedsel en mest. Maar vooral in de winter vroegen ze veel zorg.
Kijk nu even naar de vloer, voordat we doorgaan.