Het bleken van linnen
Linnen heeft van zichzelf een beetje een grauwe of gelige kleur. Daarom bleekten mensen het vroeger, zodat het witter en frisser werd. Het linnen zag er dan schoner uit en was prettiger om te gebruiken voor lakens, kleding en doeken. Bleken was dus belangrijk, omdat linnen na het wassen nog niet echt wit was.
Op veel boerderijen gebeurde het bleken op een eenvoudige manier. Het linnen werd eerst gewassen en daarna buiten op het gras gelegd. Daar werd het telkens natgemaakt met schoon water. Door zon, lucht en water werd het linnen langzaam witter. Daarom moest het vaak opnieuw natgemaakt worden. Dat proces duurde lang, soms weken tot maanden. Het was dus een werk dat veel geduld vroeg.
In steden waren de bleekvelden groter en beter georganiseerd. Ze hoorden bij blekerijen en waren bedoeld voor veel linnengoed. In Enschede lagen veel van die bleekvelden in en rond de stad. Daar werd water uit de slootjes over het linnen geschept met een bleeklepel of schepspaan, zodat het textiel vochtig bleef tijdens het bleken. Ook werd het linnen daar soms geloogd met loog of potas, vooral in de meer professionele productie. Daarna werd het verder gebleekt met zonlicht, water en lucht. Zo konden grote hoeveelheden linnen tegelijk worden behandeld.
Er zijn in Enschede nog plaatsen die aan de oude bleken herinneren, zoals Rigtersbleek. Dat laat zien hoe belangrijk de textielindustrie daar vroeger was.