11. Werken in het weefkamertje
Ga naar plattegrond
Het weefgetouw stond in een kleine, gesloten kamer waar het koud vochtig was.
Vocht zorgde ervoor dat het garen minder snel brak.
De boer werkte bij het flakkerende licht van een olielamp.
Hij zat hier van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.
Soms maakten boeren de draden extra sterk met pap van boekweit of rogge.
Maar al die vezels, de oliedamp en de pap waren slecht voor de longen.
De spieren deden pijn door de steeds dezelfde beweging.
Met het weefwerk kon het gezin wel wat extra geld verdienen, vooral als de oogst tegenviel.
Er was een bekend rijmpje over de wever:
“Daar zat een wever op z’n getouw,
grauw van de honger en blauw van de kou.”