13. Eten en drinken
Ga naar plattegrond
Het eten was eenvoudig en kwam vooral van eigen land.
Er was een groentetuin, een boomgaard en bijen voor honing.
Men at veel roggebrood en dronk daarbij dun bier.
Dun bier is een heel licht bier met weinig alcohol.
Mensen dronken het elke dag, omdat het vaak veiliger was dan water.
Groente bestond uit peulvruchten, pastinaak, rapen, kool, uien en prei.
In november slachtte men het varken.
Vlees was geen dagelijks eten, maar iets bijzonders, vooral in de winter.
Het vlees werd gerookt, gezouten of ingemaakt, zodat het weken of maanden goed bleef.
Ontbijt was vaak bierpap: dun bier met oud brood, boter, suiker en kruidnagels.
Aardappelen aten mensen hier pas vanaf het einde van de 18e eeuw.
Daarvoor moesten ze het doen met rogge, pastinaak, groente, fruit en vlees van eigen erf.