4. Gevelteken
Ga naar plattegrond
Geveltekens komen voort uit de windveren. Die hadden eerst een praktische taak: ze sloten de nok en het dak af en hielden het riet op zijn plaats. De planken langs de dakrand werden langer gemaakt en boven de nok met elkaar verbonden. Zo ontstonden vormen die deden denken aan twee koppen naast elkaar.
Vaak kregen die koppen de vorm van paardenkoppen. Het paard gold in de volkscultuur als een dier dat bescherming bood tegen onheil. Volgens sommige verhalen hingen mensen vroeger ook paardenschedels aan huis of stal om gevaar buiten te houden. De houten paardenkoppen op de nok zijn waarschijnlijk een blijvende, gestileerde vorm daarvan.
Met zulke tekens vroegen boeren als het ware om bescherming. Het leven was vroeger onzeker. De grond was arm, oogsten konden mislukken en ziektes kwamen voor bij mens en dier. Veel mensen geloofden in geesten, witte wieven en hellehonden. Ook kon op rogge een giftige schimmel groeien: moederkoren. Die kwam soms in meel en roggebrood terecht en maakte mensen erg ziek. Soms zorgde dat ook voor hallucinaties. Zo werden oude verhalen over witte wieven, heksen en andere enge wezens nog sterker.
Later verschenen weer andere vormen van geveltekens.