7. Koeien en potstal
Ga naar plattegrond
In de winter stonden de koeien in een potstal, een stal met een diepe vloer, als een soort kuil.
De mest werd niet elke dag weggehaald.
De boer gooide er steeds verse heideplaggen en stro overheen.
Heideplaggen zijn stukken heide met zand en wortels, die mest en vocht opnemen.
Zo ontstond een dikke, zachte laag, soms wel een meter hoog.
Het was een bed én mesthoop tegelijk.
In het voorjaar haalde de boer de mest uit de potstal. Die rijke mest ging op de akkers en maakte de arme zandgrond vruchtbaarder. Het meest vruchtbaar en de beste grondwaterstand hebben de bovenkanten van de dekzandheuveltjes op de stuwwallen. Daarom was het het voordeligst om de potstalmest op de bovenkant uit te rijden. Jaar na jaar, laag na laag werd zo de top van de dekzandheuvel nog wat opgehoogd door al die mest.
Zo ontstond het essenlandschap dat bij Twente hoort.
Om mest te kunnen blijven maken, hadden boeren telkens nieuwe heideplaggen nodig.
Als je te veel heide weghaalde, raakte de bodem uitgeput.
Herstel van afgeplagde heide duurt meer dan 15-20 jaar. Er moest zorgvuldig met de hoeveelheid heide worden omgesprongen. Daarom maakten de marken, de groep boeren die samen het land gebruikte, strenge regels voor het gebruik van woeste grond zoals heide en bossen