6. Werktuigen: Van vlas naar garen

Ga naar plattegrond

Vlas veranderen in linnen was veel werk en ging helemaal met de hand.
Eerst zaaide de boer het vlas.
Na ongeveer honderd dagen werd het met wortels en al geoogst en gedroogd.
Daarna haalde men de zaadbollen eraf, dat heet repelen.

Dan begon het rottingsproces: het roten.
Het vlas lag in water of op het land, zodat de “lijm” losliet en de bast van de vezels ging.
Vervolgens brak men de stengels, dat heet breken of braken.
Restjes werden verwijderd bij het zwingelen.
Met hekelen legde je de vezels netjes recht naast elkaar.
Je kunt al deze gereedschappen zien rechtsboven, onder de zolder.

In de wintermaanden spinden vrouwen en kinderen de vezels tot garen, vaak samen, pratend en zingend.
Vanaf ongeveer 1300 gebruikten ze het spinnewiel, dat sneller was dan de oude spintol.
Het garen kwam op klosjes.

Zo zorgden boer, boerin en kinderen samen dat uit een plant uiteindelijk een doek werd.