2. Fossielen

Terug naar de plattegrond

In deze vitrines zie je veel fossielen. Wat zijn dat eigenlijk?

Fossielen zijn resten of sporen van planten en dieren die heel lang geleden leefden. Ze zijn bewaard gebleven in de grond. Soms zijn het harde delen, zoals botten, tanden of schelpen die zijn versteend. Soms zie je alleen een afdruk, bijvoorbeeld van een blad of een voet. Er zijn ook sporenfossielen, zoals voetafdrukken, gangen in de grond of uitwerpselen.

Niet elk dier of elke plant wordt een fossiel. Meestal verdwijnen ze snel door bacteriën en zuurstof. Fossielen ontstaan alleen als een organisme snel wordt bedekt met zand, klei of modder. Dan komt er weinig zuurstof bij en kan het beter bewaard blijven. In duizenden tot miljoenen jaren veranderen de resten langzaam in steen. Dit proces heet fossilisatie.

Fossielen ontstaan vaak in meren, moerassen of ondiepe zeeën. Later kunnen aardlagen omhoogkomen. Door wind en water slijten de lagen weg en komen fossielen aan de oppervlakte.

Wetenschappers, paleontologen, bestuderen fossielen om meer te leren over het verleden van de aarde. Ze ontdekken hoe het klimaat was en hoe planten en dieren leefden. Ook kunnen ze bepalen hoe oud gesteenten zijn. Fossielen helpen bovendien om te begrijpen hoe continenten bewegen door platentektoniek.

De volgende luisterpunten beschrijven de tentoongestelde vondsten die gedaan zijn in de regio Twente.