Gevelteken
Gevelteken
Als je naar de punt van het dak kijkt, zie je een gevelteken.
Geveltekens ontstonden oorspronkelijk door de kruisende windveren, de planken tussen gevel en het dak die de wind buiten moesten houden.
De uiteinden werden vaak versierd met dierenkoppen, meestal paardenkoppen, omdat het paard het belangrijkste bezit van de boer was.
Het paard werd in de volkscultuur ook gezien als symbool van vruchtbaarheid of als bescherming tegen onheil.
Van oudsher hadden geveltekens vooral een onheil-afwerende functie.
Boeren vroegen zoals het ware de hulp van bovennatuurlijke krachten om ongeluk en rampspoed te voorkomen.
In Twente was het leven vaak hard.
De bodem was meestal arme zandgrond, afgewisseld met kleine vruchtbare stukken in de beekdalen.
Een slechte oogst door droogte, regen of ziektes kon al leiden tot honger.
Ook natuurrampen, oorlogen of veeziektes konden grote problemen veroorzaken.
Daarnaast geloofden mensen in witte wieven, hellehonden en boze geesten, die buiten de deur moesten blijven.
Voor het voedsel was rogge het hoofdvoedsel, maar daarin kwam soms de moederkoren-schimmel voor.
Wie dit at, kon hallucineren, wat misschien bijdroeg aan verhalen over rondwarende geesten.
Geveltekens veranderden in de loop van de tijd.
Wil je weten hoe ze veranderden, kijk dan in de Atlas van Ooit.
Het volgende verhaal blijft nog voor het Los Hoes.
Daar staat een kapelletje van gedroogd vlas, een belangrijk gewas voor de Twentse boeren.