Varkens, paarden en kippen
Varkens, paarden en kippen
Behalve koeien had een boer meestal ook een varken, wat kippen, schapen en soms een paard.
Varkens werden vooral gehouden voor mest en vlees.
In de winter stonden ze binnen in een stal in het Los Hoes.
Ze poepen en plassen op één plek, en dat moest bijna dagelijks worden opgeruimd.
In de lente, zomer en herfst konden ze buiten lopen op het erf of in een omheind stukje land.
Daar konden ze graven en wroeten, wat goed was voor hun gezondheid, voedsel en ook voor de boer omdat ze plantresten en onkruid opaten.
Vaak werd in november een varken geslacht.
Het vlees werd gedroogd, gezouten, gerookt of ingemaakt, zodat de boer enkele maanden vlees had, ook in de winter.
Kippen en schapen werden meestal in een schuur gehouden.
Kippen liepen vaak waar ze wilden en kwamen soms zelfs in de boerderij.
Schapen kregen in de winter een dikke ondervacht, die na het scheren werd gebruikt voor wol voor kleding en dekens.
De grovere bovenvacht werd gebruikt voor touw of zwaardere materialen.
Een paard was belangrijk voor het werk op het land: ploegen, vervoeren en andere zware klussen.
Vaak werd een paard gedeeld met een paar boeren.
De dieren waren dus belangrijk voor voedsel, mest en werk.
Het houden van dieren vroeg veel aandacht, vooral in de koude wintermaanden.
In het volgende verhaal vertellen we iets over de vloer van het Los Hoes.