Werken in weefkamertje
Werken in weefkamertje
Omdat natuurlijke vezels sterker zijn als ze enigszins vochtig zijn, stond het weefgetouw vaak in een gesloten en niet verwarmd kamertje.
De boer werkte hier in de winter van ochtend tot avond, bij olielamplicht.
De scheringdraden werden soms versterkt met boekweit- of roggepap, zodat ze niet braken.
Door het inademen van rondvliegende vezels, oliedampen en damp van de pap kreeg hij vaak problemen met luchtwegen.
Ook door de steeds dezelfde bewegingen had hij vaak pijn in spieren en gewrichten.
Een volksrijmpje luidde:
“Daar zat een wever op z’n getouw, grauw van de honger en blauw van de kou”.
Een andere spreuk:
“Een wever eet zich niet zat, maar regent ook niet nat.”
Wist je dat de uitdrukking “schering en inslag” oorspronkelijk positief was?
In de 18e en 19e eeuw werd het gebruikt voor harmonie en verbondenheid, net als bij het weven.
Later veranderde het naar een negatieve betekenis, omdat het vooral herhaling of iets dat vaak gebeurt begon te betekenen.
Het volgende verhaal gaat over slapen, wassen en toilet in een Los Hoes.