Weefgetouw

Rondleiding: Los Hoes — Taal: NL

Weefgetouw

Boeren waren vaak zelfvoorzienend.

Van vlas en wol maakten ze kleren en dekens.

In de winter, als er weinig werk op het land was, werd er gesponnen en geweven.

Het spinnen was meestal werk van vrouwen en kinderen, het weven was vaak werk van de boer zelf.

Bijna elke boerderij had een weefkamertje met een weefgetouw.

Rond de 10e en 11e eeuw werd het horizontale weefgetouw geïntroduceerd, ter vervanging van het verticale weefgetouw.

In de 13e eeuw kwamen de pedalen, waarmee de kammen bewogen konden worden.

Het weefgetouw hier in het Los Hoes is van ca. 1650.

Het heeft 2 pedalen, waarmee de boer telkens de helft van de scheringdraden omhoog kon trekken.

Zo ontstond ruimte tussen de draden om de spoel met garen door te gooien of in het Twents smieten.

Met de weeflade werd de draad tegen het weefsel gedrukt en daarna werd de andere helft van de draden omhoog gehaald.

Het doek dat op het weefgetouw ligt, is gekleurde linnen.

Dat gebeurde eigenlijk pas later.

Linnen heeft van nature een zandkleurige of grijsgelig witte kleur.

Om het witter te maken werd het later gebleekt.

In 1728 kreeg Enschede het alleenrecht van de Staten van Overijssel om bombazin (een mengsel van linnen en katoen) te maken.

Het doek was ongeveer één el breed (ca. 69 cm), de afstand tussen de ellebogen.

Was het breder, dan zou het smieten veel zwaarder zijn.

Een boer kon zo ongeveer twee meter per dag weven.

Men weefde voor eigen gebruik, maar als er meer geproduceerd werd, kon het verkocht worden aan een marskramer.

Die bracht het naar andere dorpen of steden, zodat de boer iets extra’s kon kopen wat hij zelf niet kon maken.

Het volgende verhaal gaat over de werkomstandigheden bij het weven.

Als je meer wilt weten over het bleken van linnen, kijk dan in de Atlas van Ooit.

Beelden: 3
Huidige seconde: 0
Beeld 1
Tip: 'rechts-klik' (PC) of 'long-touch' (mobiel, tablet) op de afbeelding voor volledig scherm.