Weefgetouwen
Joseph-Marie Jacquard erfde een werkplaats met twee weefgetouwen. Het waren weefgetouwen waarmee men patronen in de stof kon weven.
Een weefspoel met het inslaggaren gaat gelijkmatig, dus om en om, door de scheringdraden heen. Sla je echter draden over, bijvoorbeeld door de scheringdraden omhoog te trekken, dan krijg je een patroon.
Boven op het weefgetouw stonden destijds mensen op een plateautje. De wever gaf aanwijzingen over welke scheringdraden omhooggetrokken moesten worden, bijvoorbeeld 5, 8, 15, 24, 7, enzovoorts. Het was een inspannende en arbeidsintensieve manier om patronen te weven.
In 1703 had de Duitse wiskundige en filosoof Leibniz laten zien dat alle informatie in nullen en enen kan worden opgeschreven, het binaire stelsel waarmee computers nog steeds werken. Jacquard kende deze theorie, verzon een ponskaart en prutste net zolang aan de weefgetouwen tot hij een werkend systeem had waarbij de ponskaart door een soort machine liep. De ponskaart bestond uit gaten en niet-gaten. Een gat zou je kunnen zien als een 1 en een niet-gat als een 0. Door het gat kon een stang die een scheringdraad omhoogtrok, doorgelaten worden. Bij een niet-gat juist niet. De ponskaart was dus een instructie voor de weefmachine om een patroon te weven. Het was de allereerste toepassing van digitale techniek ter wereld.
Door deze uitvinding waren de mensen boven op het weefgetouw niet meer nodig. Het waren de eerste mensen die ontslagen werden door de opkomst van automatisering. Uit boosheid sloegen ze de fabriek van Jacquard kort en klein.
Jacquard kreeg echter ruime waardering voor zijn uitvinding, die snel navolging kreeg in andere fabrieken. Hij kreeg een medaille van Napoleon en een pensioen.
De Jacquard-weefgetouwen in de Museumfabriek zijn veel moderner. Deze stammen uit de jaren '70 van de vorige eeuw. Maar het ponskaart-systeem is nog goed te zien.
Voor het volgende luisterpunt ga je de hellingbaan omhoog. Aan het einde zie je een witte balie; daar is het volgende punt.